Inhoudsopgave

 

Bericht van de uitgever........................................................................ 2

In het woud van de wereld................................................................... 4

De plunderaars die voor godsdienstig doorgaan................................. 5

Er  zijn mensen en mensen................................................................... 6

De oorzaak van alle moeilijkheden..................................................... 7

Dit alles voor enkel een lendendoek.................................................... 8

De tijger die zich schuil houdt achter de wereldse vreugden........... 10

Die benauwende stank van wereldsgezindheid................................. 11

Meester van alles, slaaf van seks!...................................................... 12

Zo trots maakt geld nu....................................................................... 13

Zo ziet Maya er werkelijk uit!........................................................... 13

Occulte krachten zijn meer een hindernis dan een hulp voor het zien van God  14

Een Hindoe die gedwongen werd de Islam te aanvaarden................ 15

Het geloof van een kind..................................................................... 16

Een jongen gaf God daadwerkelijk te eten....................................... 17

Een discipel en haar kruik met yoghurt............................................. 18

Absoluut geloof................................................................................. 19

Geloof kent geen wonderen............................................................... 19

Maar geloof verricht wonderen......................................................... 20

Geloof is de moeder van wonderen................................................... 21

Wie wint de prijs?.............................................................................. 22

Drie vrienden en de tijger.................................................................. 23

In wel en wee, God voor altijd.......................................................... 23

Heer Narayana en zijn zich zelfverdedigende toegewijde................ 25

Niemand zal u in de dood volgen...................................................... 26

De kameleon....................................................................................... 27

Niets is onmogelijk voor Hem.......................................................... 28

Wanneer God lacht............................................................................. 29

Tel niet de bladeren, eet mango’s...................................................... 29

Dan komt de tijd voor actie............................................................... 30

Gedeeltelijke kennis brengt bekrompenheid voort........................... 31

 

 


Bericht van de uitgever

 

Gewone mensen zijn niet erg geïnteresseerd in het spirituele leven zoals we in de moderne wereld bijna overal zien. In deze tijd van hoge wetenschappelijke verworvenheden op het materiele gebied en technologische ontwikkelingen, zijn de mensen druk bezig met hun materiele welvaart zonder enig belang te hechten aan innerlijke groei of spirituele ontwikkeling. Dientengevolge vergeten de meeste mensen en in het bijzonder de jongere generatie, de onmetelijke waarde van het menselijk leven, zijn edele kwaliteiten en goddelijke mogelijkheden inherent aan iedere ziel.

God is bijna in onbruik geraakt bij de moderne mens die heel druk bezig is met zijn jacht op het materiele. Wedijver, jalousie, boosheid, haat, gewelddadigheid en dergelijke slechte elementen zijn in stroomversnelling in de maatschappij en zijn overal in de grote steden goed zichtbaar. Veel jongelui zijn meer en meer verslaafd geraakt aan drank en drugs of eindigen als een psychiatrische patiënt Is er geen remedie voor deze tragedie in de menselijke situatie?

Verschillende wereldreligies onderwijzen ons enige morele en spirituele disciplines welke in het leven gevolgd kunnen worden om de Waarheid of God, die in ons verblijft, te realiseren.

Heiligen en wijzen, profeten en incarnaties, geleerden en filosofen hebben op verschillende manieren uitleggingen omtrent God gedaan, zoals we deze in de verschillende schrifturen vinden. De moderne mens heeft nauwelijks enige tijd om deze omvangrijke boeken te lezen, laat staan ze in het leven in toepassing te brengen. Religieus leven krijgt betekenis als we het eenvoudige leven en de leringen van de grote incarnaties van God, zoals Boeddha, Christus, Sri Chaitanya, Sri Ramakrishna en anderen, bestuderen. De meeste van hun onderrichtingen die de hoge filosofieën van het spirituele leven verklaren, zijn in verhaalvorm in gemeenzame talen gegeven.

Op de volgende bladzijden hebben wij enige van deze verhalen gegeven welke door Sri Ramakrishna (1836-1886) een incarnatie van God, zijn verteld. Deze verhalen zijn geselecteerd uit het boek: “Tales and Parables of Sri Ramakrishna”, uitgegeven in het Engels door de Ramakrishna Math, Chennai, India.

Wij zeggen onze dank aan mevrouw Mary Saaleman, één van onze leden en een oprechte volgelinge, voor de vertaling ervan in het Nederlands.

Wij zullen onze poging als vruchtbaar beschouwen indien het de mensen tot op zekere hoogte helpt in het spirituele leven.

 

 

 

 

Amstelveen                                                    De uitgever

12 maart 2005


 

In het woud van de wereld

 

Op een keer liep een man door het bos, toen drie rovers hem overmeesterden en hem beroofden van al zijn bezittingen. Eén van de rovers zei: “Wat is het nut om deze man in leven te houden?” Terwijl hij dat zei wilde hij hem doden met zijn zwaard, toen de tweede rover hem in de rede viel en zei: “O nee! Wat is het nut om hem te doden? Bind zijn handen en voeten vast en laat hem hier achter” De rovers bonden zijn handen en voeten vast en verdwenen. Na een tijdje keerde de derde rover terug en zei tot de man: “Ach, het spijt mij. Ben je gewond? Ik zal je bevrijden van je boeien.” Nadat hij de man had vrijgelaten, zei de dief: “Ga met me mee. Ik zal je naar de grote weg brengen.” Na een lange tijd bereikten zij de weg. Op dat moment zei de man: “Meneer, u bent erg goed voor me geweest. Ga met me mee naar m´n huis.” “O, nee!” antwoordde de rover. “Daar kan ik niet heengaan. De politie zal het te weten komen.”

 

De wereld zelf is het bos. De drie rovers die hier rondsluipen zijn sattva, rajas en tamas. Zij beroven een mens van de kennis der Waarheid. Tamas wil hem vernietigen. Rajas bindt hem aan de wereld, maar sattva redt hem uit de klauwen van rajas en tamas. Onder de bescherming van sattva wordt de mens verlost van boosheid, passie en andere slechte gevolgen van tamas. Verder maakt sattva de banden losser met de wereld. Maar sattva is ook een rover. Het kan de mens niet de ultieme kennis der Waarheid geven, ofschoon het hem de weg wijst, die leidt naar de Hoogste Woonplaats van God. Terwijl het hem op weg helpt vertelt sattva hem: “Kijk ginds. Daar is je huis”. Zelfs sattva is ver weg van de kennis van Brahman.

 

De plunderaars die voor godsdienstig doorgaan

 

Er was een goudsmid die een juwelierszaak had. Hij leek op een groot toegewijde, een ware Vaishnava, met kralen rond zijn hals, een rozenkrans in zijn hand en de heilige merktekens op zijn voorhoofd. Als vanzelf vertrouwden mensen hem en kwamen naar zijn winkel om zaken te doen. Zij dachten dat zo’n vroom mens hen nooit zou kunnen bedriegen. Wanneer een groep klanten de zaak binnenkwam, hoorden zij één van zijn handwerksmannen zeggen: “Kesava! Kesava!” Een ander zei na een tijdje: “Gopal! Gopal!” Dan prevelde een derde: “Hari! Hari!” Tenslotte zei iemand: “Hara! Hara!” Nu zijn deze woorden zoals je weet, verschillende namen voor God. Bij al dit reciteren van Gods namen dachten de klanten vanzelfsprekend, dat deze goudsmid een voortreffelijk persoon moest zijn.

Maar kun je de ware intentie raden van de goudsmid? De man die “Kesava! Kesava!” zei, bedoelde te vragen: “Wie zijn deze klanten?” De man die “Gopal! Gopal!” zei, bracht het idee over dat de klanten enkel een kudde koeien waren. Dat was een inschatting die hij zich vormde over hen na de uitwisseling van een paar woorden. De man die “Hari! Hari!” zei, vroeg: “Als zij niet beter zijn dan een kudde koeien, mogen we hen dan beroven?” Hij die “Hara! Hara!” zei, stemde toe met deze woorden: “Beroof ze in elk geval, aangezien zij niets anders dan een kudde koeien zijn.”


 

Er  zijn mensen en mensen

 

Mensen kan men wellicht indelen in vier klassen; zij die gebonden zijn door de boeien van de wereld, de zoekers naar vrijheid, de bevrijde mensen en de altijd vrije zielen.

 

Onder de altijd vrije zielen mogen we de wijzen als Narada rekenen. Zij leven in de wereld ten dienste van anderen, om de mensen de geestelijke waarheid te onderrichten.

 

De gebonden mensen zijn verzonken in wereldsgezindheid en zijn God vergeten. Zelfs niet bij vergissing denken zij aan God.

 

De zoekers naar vrijheid willen zichzelf bevrijden van gehechtheid aan de wereld. Sommigen van hen slagen daarin en anderen niet.

 

De vrije zielen, zoals de Sadhoes en de Mahatmas, zijn niet verstrengeld in de wereld, in “vrouwen en goud”. Hun geesten zijn vrij van wereldlijkheid. Daarnaast mediteren zij altijd op de Lotusvoeten van God.

 

Stel je voor dat een net over een meer geworpen wordt om vis te vangen. Sommige vissen zijn zo intelligent, dat zij nooit in het net gevangen worden. Zij zijn als de altijd vrije zielen. Maar de meeste vissen zijn verstrikt in het net. Sommigen proberen zichzelf ervan te bevrijden, en zij lijken op hen die vrijheid zoeken. Maar niet alle vissen die tegenspartelen slagen daarin. Enkelen springen uit het net en doen het water opspatten. Dan schreeuwt de visser: “Kijk!” “Daar gaat een grote!” Maar de meeste vissen die in het net gevangen zijn kunnen niet ontsnappen, noch doen zij enige moeite om er uit te komen. Integendeel, zij wentelen zich in de modder met het net in hun bek en liggen daar rustig met de gedachte: “We hoeven niet meer bang te zijn, we zijn hier heel veilig!” Maar de arme schepselen weten niet dat de visser hen met het net mee omhoogtrekt. Ze zijn gelijk de mensen die gebonden zijn aan de wereld.

 

 

 

De oorzaak van alle moeilijkheden

 

Op een bepaalde plaats waren de vissers de vis aan het binnenhalen. Een wouw dook naar beneden en griste een vis weg. Bij het zien van de vis achtervolgden ongeveer duizend kraaien de wouw en maakten groot lawaai met hun gekras. Welke weg de wouw ook vloog met de vis, de kraaien volgden hem. De wouw vloog naar het zuiden en de kraaien volgden hem daarheen. De wouw vloog naar het noorden en nog altijd volgden de kraaien hem. De wouw ging naar oost en west met hetzelfde gevolg. Daar de wouw in verwarring begon rond te vliegen, ziedaar de vis viel uit zijn bek. Meteen lieten de kraaien de wouw met rust en vlogen achter de vis aan. Zo bevrijd van zorgen ging de wouw op een tak van een boom zitten en dacht: “Die rampzalige vis was de oorzaak van al mijn moeilijkheden. Ik ben er nu van verlost en daarom ben ik nu in vrede.”

Zolang als een mens de vis heeft, dat wil zeggen wereldlijke verlangens, moet hij actie ondernemen, en als gevolg daarvan lijden aan piekeren en ongerustheid en rusteloosheid. Nauwelijks doet hij afstand van deze verlangens of zijn activiteiten vallen weg en geniet hij vrede van de ziel.

 

 

 

Dit alles voor enkel een lendendoek

 

Op instructie van zijn Goeroe bouwde een sadhoe een kleine hut voor zichzelf, bedekt met bladeren die zich op een afstand van de mensen bevond. Hij begon zijn devotionele oefeningen in deze hut. Welnu, iedere morgen na zijn ochtendwassing, hing hij zijn natte kleding en de kaupina (lendendoek) aan een boom vlakbij de hut te drogen. Op een dag na zijn terugkeer uit het naastgelegen dorp, dat hij bezocht had om te bedelen voor zijn dagelijkse voeding, ontdekte hij dat de ratten gaten in zijn kaupuna gebeten hadden. Dus de volgende dag was hij verplicht om naar het dorp te gaan voor een nieuw kledingstuk. Een paar dagen erna spreidde de sadhoe zijn lendendoek uit op het dak van zijn hut om het te laten drogen en ging dan zoals gewoonlijk naar het dorp om te bedelen. Bij zijn terugkeer vond hij zijn kleed door de ratten in repen gescheurd.  Hij was er heel boos over en dacht bij zichzelf: “Waar zal ik nu weer naar toe gaan om voor een lap stof te bedelen? Wie zal ik erom vragen?” Desondanks zag hij de volgende dag de dorpelingen en wees hen op de schade veroorzaakt door de ratten. Toen de dorpelingen alles hadden aangehoord wat hij te zeggen had, zeiden ze: “Wie zal u iedere dag kleding geven? Maar weet u wat, neem een kat, het zal de ratten weghouden.” De sadhoe verzekerde zich onmiddellijk van een kleine kat uit het dorp en droeg het naar zijn hut. Vanaf die dag lieten de ratten hem met rust en er kwam geen einde aan zijn vreugde. De sadhoe begon zich nu met grote zorg op het nuttige kleine schepsel te richten en voedde het met melk gebedeld uit het dorp. Na enkele dagen zei een dorpeling tegen hem: “Sadhoeji, u hebt elke dag melk nodig; hierin kunt u hoogstens een paar dagen in voorzien door te bedelen; wie zal u het hele jaar bevoorraden met melk? Dus doe het volgende, neem een koe. U verkwikt uzelf door zijn melk te drinken en u kunt ook iets aan de kat geven.” In een paar dagen verkreeg de sadhoe een melkkoe en er was geen aanleiding meer om te bedelen voor melk. Spoedig daarop vond de sadhoe het nodig om stro te bedelen voor zijn koe. Hij moest voor dat doel de naburige dorpen bezoeken, maar de dorpelingen zeiden: “Er zijn veel onbewerkte landerijen dichtbij uw hut; bewerk dit land en u zult niet meer om stro voor de koe hoeven te bedelen”. Geleid door hun advies begon de sadhoe het land te bewerken. Geleidelijk aan moest hij enkele mensen in dienst nemen en later vond hij het nodig om schuren te bouwen om er de oogst in te bewaren. Dus hij werd in de loop van de tijd een soort landheer. En tenslotte had hij een vrouw nodig om zijn grote huishouden te behartigen. Nu bracht hij zijn dagen door net zoals een druk gezinshoofd.

 

Na verloop van tijd kwam zijn Goeroe hem opzoeken. Toen de Goeroe zich omgeven zag met goederen en bezittingen stond hij voor een raadsel en informeerde bij een bediende: “Voorheen leefde hier een asceet in een hut; kun je vertellen waar hij naartoe is gegaan?” De bediende wist niet wat te antwoorden. Dus was de Goeroe zo vrij het huis binnen te gaan, waar hij zijn discipel ontmoette. De Goeroe zei tot hem: “Mijn zoon, wat moet dit alles voorstellen?” De discipel viel in grote schaamte neer aan de voeten van zijn Goeroe en zei: “Mijn Heer, dit alles is voor enkel een lendendoek!”

De tijger die zich schuil houdt achter de wereldse vreugden

 

God is als de wens vervullende boom uit de hemelse wereld (Kalpataru), welke geeft wat ieder er van vraagt. Daarom moet men ervoor zorgen alle wereldlijke verlangens op te geven wanneer de geest zuiver is geworden door religieuze oefeningen.

 

Luister nu naar een verhaal. Een reiziger kwam in de loop van zijn reizen naar een grote vlakte. Omdat hij vele uren in de zon gelopen had, was hij volledig uitgeput en zweette hevig: dus ging hij onder de schaduw van een boom zitten om wat uit te rusten Spoedig begon hij te denken hoe gerieflijk het zou zijn als hij daar een zacht bed kon krijgen om in te slapen. Hij was zich niet bewust dat hij onder een hemelse boom zat. Zodra deze gedachte in hem opkwam, vond hij een heerlijk prettig bed naast zich. Hij was heel verbaasd, maar evengoed ging hij erop liggen. Nu dacht hij bij zichzelf hoe plezierig het zou zijn als een jong meisje hier naar toe kwam en zachtjes zijn benen masseerde. Nauwelijks kwam de gedachte in hem op of hij vond een jong meisje aan zijn voeten zitten die zijn benen masseerde. De reiziger voelde zich uiterst gelukkig. Nu voelde hij zich hongerig en dacht: “Ik heb alles gekregen wat ik wenste; zou ik dan niet wat te eten kunnen krijgen”. Onmiddellijk vond hij verschillende soorten van verrukkelijk voedsel voor hem uitgespreid. Direct begon hij te eten, en na met hartelust te hebben toegetast, strekte hij zich uit op het bed. Nu begon hij na te denken over de gebeurtenissen van de dag. Terwijl hij daar zo mee bezig was dacht hij: “Als een tijger me nu plotseling aanviel!” Onmiddellijk sprong een grote tijger op hem en brak zijn nek en begon zijn bloed te drinken. Op deze manier verloor de reiziger zijn leven.

 

Zo is het lot van mensen in het algemeen. Als je tijdens je meditatie bidt voor mensen of geld of aardse eer en aanzien, zal je verlangen zonder twijfel tot op zekere hoogte worden vervuld; maar pas op, daar is de vrees voor de tijger achter alle geschenken die je ontvangt. Deze tijgers – ziekte, zware verliezen en verlies van eer en rijkdom etc., zijn duizendmaal erger dan de levensechte tijger.

 

 

 

Die benauwende stank van wereldsgezindheid

 

Op een keer was een vissersvrouw te gast in het huis van een tuinman die bloemen kweekte. Ze kwam daar met haar lege mand, nadat ze vis verkocht had op de markt en werd gevraagd in een kamer te slapen waar de bloemen werden bewaard. Maar vanwege de geur van de bloemen kon ze lange tijd niet slapen! Ze was rusteloos en begon in haar bed te woelen. Haar gastvrouw zag haar toestand en zei: “Hallo! Waarom draai je zo rusteloos van de ene op de andere zij?”  De vissersvrouw zei: “Ik weet het niet, vriendin. Misschien heeft de geur van de bloemen mijn slaap verstoord. Kun je me mijn vismand geven? Misschien zal dat me in slaap brengen.” De mand werd haar gebracht. Ze sprenkelde er water over en zette het dicht bij haar neus. Toen viel ze vast in slaap en snurkte de hele nacht.


 

Meester van alles, slaaf van seks!

 

Een werkzoekende was het beu om elke keer de manager in zijn kantoor te bezoeken. Hij kon geen werk krijgen. De manager zei tegen hem: “Er is nu geen vacature, maar kom me af en toe bezoeken.” Dit ging zo lange tijd door en de kandidaat verloor alle hoop. Op een dag vertelde hij zijn nare geschiedenis aan een vriend. De vriend zei: “Hoe dom ben je! Waarom ben je bezig je schoenzolen te slijten aan deze kerel? Je doet er beter aan naar Golap te gaan. Morgen heb je werk.” “Is dat zo? zei de kandidaat. “Ik ga er direct naar toe.” Golap was de minnares van de manager. De kandidaat sprak haar aan en zei: “Moeder, ik verkeer in grote nood. U moet me helpen hier uit te komen. Ik ben de zoon van een arme brahmaan. Waar anders kan ik naartoe voor hulp? Moeder, ik ben vele dagen zonder werk. Mijn kinderen komen bijna om van de honger. Ik kan een baan krijgen, als u een goed woordje voor me doet”. Golap zei tot hem: “Kind, tegen wie moet ik wat zeggen?”Tegen zichzelf zei ze: “Ach, die arme brahmaan! Hij heeft teveel geleden”. De kandidaat zei tegen haar: “Ik ben er zeker van dat ik dat werk krijg als u er met de manager over spreekt”. Golap zei: “Ik zal vandaag nog met hem spreken en de zaak in orde brengen”. De volgende morgen kwam iemand bij de kandidaat langs en zei: “U kunt vanaf vandaag op kantoor van de manager werken”. De manager zei tot zijn Engelse baas: “Deze man is heel competent. Ik heb hem benoemd. Hij zal een aanwinst voor de firma zijn.”


 

Zo trots maakt geld nu

 

Een kikker had een roepie, die hij in zijn hol bewaarde. Op een dag liep een olifant over zijn hol heen, en de kikker kwam boos uit zijn hol tevoorschijn, hief zijn poot, alsof hij de olifant een schop wilde geven en zei: “Hoe durf je over mijn hoofd te lopen?”

 

 

 

Zo ziet Maya er werkelijk uit!

 

Op een dag smeekte Narada de Heer van het universum: “Heer, toon me Uw Maya welke het onmogelijke mogelijk kan maken.” De Heer knikte instemmend. Daarna ging de Heer op een dag met Narada op reis. Na enige tijd voelde Hij zich erg dorstig en vermoeid. Dus ging hij zitten en zei tegen Narada: “Narada, ik heb erge dorst; alsjeblieft haal ergens een beetje water vandaan.” Onmiddellijk ging Narada op zoek naar water.

 

Daar hij dichtbij geen water vond, ging hij ver weg van hun plek en zag een rivier op grote afstand. Toen hij de rivier naderde, zag hij daar een charmante jonge vrouw zitten, en werd onmiddellijk door haar schoonheid bekoord. Zodra Narada dichter bij kwam, begon ze in aangename woorden tegen hem te spreken en niet lang daarna werden zij verliefd op elkaar. Narada trouwde toen met haar en vestigde zich op deze plek als gezinshoofd. In de loop van de tijd kreeg hij vele kinderen bij haar. En terwijl hij daar dus gelukkig met zijn vrouw en kinderen leefde, braken er epidemieën uit in het land. De dood begon zijn tol te eisen. Toen stelde Narada voor de plaats te verlaten en ergens anders te gaan wonen. Zijn vrouw stemde toe en beiden verlieten huis met de kinderen aan de hand.

Maar nauwelijks kwamen ze bij de brug om de rivier over te steken, of deze trad buiten zijn oevers. In de sterke stroming van het water werden al hun kinderen, de een na de ander weggesleurd en tenslotte verdronk ook zijn vrouw. Overweldigd door verdriet vanwege zijn zwaar verlies zat Narada aan de oever en begon jammerlijk te huilen. Juist toen verscheen de Heer voor hem en zei: “O Narada, waar is het water? En waarom huil je?” Het zien van de Heer ontstelde de wijze en toen begreep hij alles. Hij riep uit, “Heer, ik buig eerbiedig voor U neer en ik buig ook eerbiedig neer voor Uw wonderbaarlijke Maya!”

 

 

 

Occulte krachten zijn meer een hindernis dan een hulp voor het zien van God

 

Er was eens een sadhoe die grote occulte krachten verkreeg. Hij was daar erg ijdel over. Maar hij was een goed mens en had in het verleden enkele geestelijke oefeningen op zijn naam staan. Op een dag kwam de Heer naar hem toe, vermomd als een heilig man, en zei: “Eerwaarde Heer, ik heb gehoord dat u grote verborgen krachten bezit”. De sadhoe ontving de Heer hartelijk en bood Hem een plaats aan. Juist op dat moment kwam een olifant voorbij. De Heer, in de vermomming van een heilig man, zei tegen de sadhoe: “Eerwaarde Heer, kunt u deze olifant doden als u dat wilt?” De sadhoe zei: “Ja, dat is mogelijk.” Terwijl hij dit zei, nam hij een snufje stof, prevelde er enkele mantra´s over en gooide het naar de olifant. Het beest worstelde een poosje in pijn en viel toen dood neer. De Heer zei: “Wat een kracht bezit u! U hebt een olifant gedood!” De sadhoe lachte. Weer sprak de Heer: “Welnu, kunt u de olifant weer tot leven brengen?” “Dat is ook mogelijk”, antwoordde de sadhoe. Hij gooide een ander snuifje betoverde stof naar het dier. De olifant sidderde een beetje en kwam weer tot leven. Toen zei de Heer: “Uw kracht is wonderbaarlijk. Maar mag ik u iets vragen? U hebt de olifant gedood en weer tot leven gebracht. Maar wat heeft dat voor u gedaan? Voelt u zich er door opgeheven? Heeft het u in staat gesteld God te verwerkelijken?” Terwijl Hij dit zei, verdween de Heer.

 

Subtiel zijn de wegen van Dharma. Men kan God niet verwerkelijken als men zelfs maar het geringste spoor van verlangen in zich heeft. Een draad kan niet door het oog van de naald passeren als het kleinste vezeltje uitsteekt.

 

 

 

Een Hindoe die gedwongen werd de Islam te aanvaarden.

 

Er leefde eens een heel vrome Hindoe die altijd de Heilige Moeder vereerde en Haar naam bezong. Toen de Moslims het land veroverden, dwongen zij hem om de Islam te aanvaarden. Ze zeiden tegen hem: “Je bent nu een Moslim. Zeg ‘Allah’. Van nu af aan moet je enkel de naam van ‘Allah’ herhalen”. Met grote moeite herhaalde hij het woord ‘Allah’, maar nu en dan flapte het woord ‘Jagadamba’ eruit. Hiervoor wilde de Moslims hem slaan. Daarop zei hij tegen hen: “Ik smeek jullie! Dood me alsjeblieft niet. Ik heb mijn uiterste best gedaan om de naam van Allah te herhalen, maar onze Jagadamba heeft me tot aan de keel vervuld.  Zij duwt jullie Allah eruit.”

Het is niet gemakkelijk om oude gewoonten af te breken.

 

 

 

Het geloof van een kind

 

Een jongen Jatila genaamd wandelde gewoonlijk door de bossen op weg naar school en de tocht beangstigde hem. Op een dag vertelde hij zijn moeder van zijn angst. Zij antwoordde: “Waarom zou je bang zijn? Roep Madhusudana”. “Moeder”, vroeg de jongen, “Wie is Madhusudana?” De moeder zei: “Hij is jouw Oudste Broer”. Nadien op een dag, toen de jongen zich weer angstig voelde in de bossen, schreeuwde hij het uit: “O Broeder Madhusudana!” Maar er kwam geen antwoord. Hij begon heel hard te huilen: “Waar bent U Broeder Madhusudana? Kom naar me toe. Ik ben bang”. Toen kon God niet langer weg blijven. Hij verscheen voor de jongen en zei: “Hier ben Ik. Waarom ben je zo bang?” En zo tot hem sprekend leidde Hij de jongen uit de bossen en toonde hem de weg naar school. Toen Hij afscheid  nam van de jongen zei God: “Ik zal iedere keer komen als je me roept. Wees niet bang”.

Men moet dit geloof van een kind hebben, dit smachtende en intense verlangen.


 

Een jongen gaf God daadwerkelijk te eten

 

Een brahmaan aanbad altijd zijn familie Godheid met voedseloffers. Op een dag moest hij weg voor zaken. Terwijl hij op punt van vertrek stond, zei hij tot zijn zoon: “Geef het offer vandaag aan de Godheid. Zie erop toe dat God gevoed wordt”. De jongen offerde het voedsel in de kapel, maar het beeld bleef stil op het altaar. Het wilde eten noch spreken. De jongen wachtte een lange tijd en nog steeds bewoog het beeld niet. Maar de jongen geloofde rotsvast dat God naar beneden zou komen van Zijn troon, op de grond ging zitten, en van zijn voedsel zou nemen. Steeds weer bad hij tot de Godheid: “O Heer, kom naar beneden en eet het voedsel. Het is al heel laat. Ik kan hier niet meer zo lang zitten”. Maar het beeld zei geen woord. De jongen barstte in tranen uit en huilde: “O Heer, mijn vader vroeg me U eten te geven. Waarom wilt U niet naar beneden komen? Waarom wilt U niet uit mijn handen eten?” De jongen huilde enige tijd met een hunkerend verlangen in zijn ziel. Op het laatst kwam de Godheid, glimlachend, naar beneden van het altaar en zat voor de maaltijd en at het op. Nadat de Godheid gevoed was, kwam de jongen uit de kapel. Zijn familieleden zeiden: “De eredienst is voorbij. Breng nu het voedseloffer weg.” “Ja,” zei de jongen, “de eredienst is voorbij. Maar God heeft alles opgegeten”. “Hoe kan dat?” vroegen de familieleden. De jongen antwoordde onschuldig: “Wel, God heeft het voedsel opgegeten”. Zij gingen de kapel binnen en waren sprakeloos van verwondering om te zien dat de Godheid werkelijk het hele voedseloffer opgegeten had.

 

 

 

Een discipel en haar kruik met yoghurt

 

Eens vond er een annaprasana[1] ceremonie plaats in het huis van een Goeroe. Zijn discipelen zorgden vrijwillig voor de verschillende voedingsmiddelen naar draagkracht. Hij had een discipel, een heel arme weduwe, die een koe bezat. Zij melkte het en bracht de Goeroe een kruik melk. Hij dacht dat ze voor alle melk en yoghurt voor het feest zou zorgen. Boos over haar schrale offer, gooide hij de melk weg en zei tot haar: “Ga weg en verdrink jezelf”. De weduwe accepteerde dit als zijn gebod en ging naar de rivier om zichzelf te verdrinken. Maar God was blij met haar onschuldig vertrouwen en verschijnend voor haar, zei Hij: “Neem deze kruik met yoghurt. Je zult nooit in staat zijn hem leeg te maken. Hoe meer yoghurt je uit zult schenken, hoe meer uit de kruik komt. Dit zal je leraar tevreden stellen”. De Goeroe was sprakeloos van verbazing toen de kruik hem gegeven werd. Nadat hij van de weduwe het verhaal van de kruik gehoord had, ging hij naar de rivier en zei tegen haar: “Ik zal mijzelf verdrinken als je me God niet kunt laten zien.” God verscheen toen aan hem, maar de Goeroe kon Hem niet zien. Zich tot God richtend, zei de weduwe: “Als mijn leraar zijn lichaam opgeeft omdat U Zichzelf niet aan Hem openbaart, dan zal ik ook sterven.” Toen verscheen God aan de leraar - echter maar een keer.


 

Absoluut geloof

 

Op een keer ging een jonge sannyasin naar een huis om zijn maal te bedelen. Hij had het monastieke leven vanaf zijn jongensjaren aanvaard en had dus niet veel kennis van de wereld. Een jonge vrouw kwam uit het huis om hem zijn aalmoezen te geven. Toen hij haar borsten zag, vroeg de sannyasin haar of ze leed aan steenpuisten op haar borst. Haar moeder antwoordde hierop: “Nee, mijn zoon, zij heeft geen enkele steenpuist. Een kind zal haar spoedig geboren worden en dus heeft God haar voorzien van twee borsten om haar kind mee te voeden. Het kind zal melk uit deze borsten zuigen nadat het geboren is”. Nauwelijks hoorde de jonge sannyasin dit, of hij riep uit: “Ik zal niet meer bedelen om mijn maaltijden. Hij die mij geschapen heeft, zal mij ook voeden.”

 

 

 

Geloof kent geen wonderen

 

Er leefden eens twee yogi’s die geestelijke disciplines beoefenden om God te verwerkelijken. Op een dag, passeerde de heilige Narada hun kluizenaarshut, toen een van beide aan hem vroeg: “Komt u van de Hemel?” Narada antwoordde: “Ja, dat is zo”. De yogi zei: “Vertel me wat u de Heer zag doen in de Hemel.” Narada antwoordde: “Ik zag dat de Heer speelde met kamelen en olifanten om ze door het oog van een naald te laten gaan.” Hierop merkte de yogi op: “Daar is niets om je over te verwonderen. Niets is onmogelijk bij God!” Maar de andere man riep uit: “O wat een nonsens! Dat is onmogelijk! Het toont slechts aan dat u nooit naar de woonplaats van de Heer bent geweest.”

 

De eerste man was een bhakta en had het geloof van een kind. Niets is onmogelijk voor de Heer, noch kan iemand Zijn natuur volledig kennen. Alles is bij Hem mogelijk.

 

 

 

Maar geloof verricht wonderen

 

Eens lag de zoon van iemand op sterven en het leek erop dat niemand zijn leven kon redden. Een sadhoe echter zei tegen de vader van de stervende zoon: “Er is slechts een uitkomst. Als je in een menselijk schedel het vergif van een cobra kunt mengen met een paar druppels regenwater onder het sterrenbeeld van de Svati ster, zal je zoon´s leven gered kunnen worden. De vader keek in de almanak en zag dat het sterrenbeeld van Svati de volgende dag van overwegende invloed zou zijn. Dus bad hij: “O Heer, maakt U alstublieft al deze condities mogelijk en spaar het leven van mijn zoon”. Met bijzondere eerlijkheid en verlangen in zijn hart ging hij de volgende avond op pad en speurde ijverig op een verlaten plek naar een menselijke schedel. Op het laatst vond hij er een onder een boom, hield het in zijn hand en wachtte op de regen, terwijl hij bad. Plotseling kwam er een regenbui en een paar regendrupjes vielen in de opstaande schedel. De man zei tot zichzelf: “ Nu heb ik het water in de schedel onder het juiste sterrenbeeld”. Toen bad hij oprecht: “Schenk O Heer, dat de rest ook verkregen mag worden.” Na een poosje ontdekte hij, niet ver daar vandaan, een pad en een cobra die een sprong wilde nemen om het te vangen. In een ogenblik sprong de pad over de schedel, gevolgd door de cobra wiens vergif in de schedel viel. Met overweldigende dankbaarheid riep de bezorgde vader uit: “Heer, door Uw genade worden zelfs onmogelijke dingen mogelijk. Nu weet ik dat het leven van mijn zoon gered zal worden.”

 

Daarom zeg ik, als je een waar geloof en eerlijk verlangen hebt, ontvang je alles door de genade van de Heer.

 

 

 

Geloof is de moeder van wonderen

 

Een melkmeisje verzorgde de melkvoorraad voor een brahmaanse priester die aan de andere kant van de rivier woonde. Vanwege de onregelmatige tijden van de veerdienst kon ze hem niet stipt op tijd voorzien van zijn melk. Op een keer toen ze een berisping kreeg omdat ze te laat was, zei de arme vrouw: “Wat kan ik doen? Ik vertrek vroeg van huis, maar moet een lange tijd wachten op de veerman en zijn passagiers aan de oever van de rivier. De priester zei: “Vrouw! Mensen steken de oceaan van het leven over door de naam van God uit te spreken en dan kun jij niet zo´n kleine rivier oversteken?” De oprechte vrouw werd erg blij ter harte om deze gemakkelijke manier om de rivier over te steken te vernemen. Vanaf de volgende dag werd de melk vroeg in de morgen bezorgd. Op een dag zei de priester tot de vrouw: “Hoe komt het dat je nu niet langer te laat bent?” Ze zei: “Ik steek de rivier over door de naam van God uit te spreken zoals u mij gezegd hebt te doen en nu ben ik niet meer afhankelijk van de veerman.” De priester kon dat niet geloven en zei: “Kun je me laten zien hoe je de rivier oversteekt?” De vrouw nam hem met zich mee en begon over het water te lopen. Achterom kijkend zag de vrouw de priester in een jammerlijke toestand en zei: “Hoe komt het heer, dat u de naam van God uitspreekt met uw mond, maar tegelijkertijd probeert uw kleding met uw handen te beschermen tegen het water? U vertrouwt niet volledig op Hem.”

Volledige overgave en absoluut geloof in God staan aan de bron van alle wonderbare daden.

 

 

 

Wie wint de prijs?

 

Kartika en Ganesha[2] zaten dicht bij Bhagavati, die een ketting van edelstenen om haar hals droeg. De Goddelijke Moeder zei tegen hen: “Ik zal deze ketting aan hem cadeau doen die als eerste rond het universum gaat.” Daarop, zonder een moment te verliezen, vertrok Kartika op zijn pauw als rijdier. Ganesha, anderzijds, liep op zijn gemak rondom de Goddelijke Moeder en knielde voor Haar neer. Hij wist dat Zij in Haarzelf het hele universum bevatte. De Goddelijke Moeder was blij met hem en deed hem de ketting om. Na lange tijd keerde Kartika terug en vond zijn broer daar zittend met de ketting om.

 

Alles kan eenvoudig door liefde voor God worden gerealiseerd. Als iemand in staat is om God lief te hebben, zal het hem aan niets ontbreken.

 

 

 

 

Drie vrienden en de tijger

 

Op een keer liepen drie vrienden door een bos, toen plotseling een tijger voor hen verscheen. “Broeders”, riep een van hen uit, “we zijn verloren!” “Waarom zeg je zoiets?” zei de tweede vriend, “Waarom zouden we verloren zijn? Kom, laten we bidden tot God.” De derde vriend zei: “Nee. Waarom zouden we God erover lastig vallen? Kom, laten we in deze boom klimmen.”

 

De vriend die zei: “We zijn verloren!” wist niet dat er een God is die onze Beschermer is. De vriend die de anderen vroeg tot God te bidden was een jnani. Hij was zich bewust dat God de Schepper, Onderhouder en Vernietiger van de wereld is. De derde vriend, die geen last aan God wilde veroorzaken met gebeden en voorstelde om in de boom te klimmen, had extatische liefde voor God. De geaardheid zelf van deze liefde maakt dat een mens zichzelf sterker denkt dan zijn Geliefde. Hij is altijd waakzaam dat zijn Geliefde zo min mogelijk lijdt. Het enige verlangen van hem is te vermijden dat zijn Geliefde zelfs niet door een doorn in de voet zou kunnen worden geprikt.

 

 

 

In wel en wee, God voor altijd

 

In een bepaald dorp woonde een wever. Hij was een heel vrome ziel. Iedereen vertrouwde hem en hield van hem. Hij verkocht zijn goederen op de markt. Wanneer een klant hem naar de prijs van een kledingstuk vroeg, zei de wever: “Door de wil van Rama is de prijs van het garen een roepie en van het werk vier anna’s, door de wil van Rama is de winst twee anna’s. De prijs van het kledingstuk, door Rama´s wil, is één roepie en zes anna’s.” Zodanig was het vertrouwen van de mensen in de wever dat de klant direct het geld betaalde en de kleding meenam. De wever was een echte toegewijde van God. Nadat hij ‘s avonds gegeten had, besteedde hij lange uren in de gebedsruimte om op God te mediteren en Zijn naam en glories te zingen. Welnu, eens op een late avond kon de wever niet slapen. Hij zat in de gebedsruimte en rookte zo nu en dan, toen een bende dieven toevallig op dat tijdstip voorbijkwam. Zij hadden iemand nodig die hun goederen kon dragen en zeiden tegen de wever: “Kom met ons mee.” Terwijl ze dit zeiden, namen ze hem aan de hand mee. Nadat zij een diefstal in een huis hadden gepleegd, zetten zij de lading met goederen op het hoofd van de wever en bevalen hem deze te dragen. Plotseling verscheen de politie en de dieven renden weg. Maar de wever werd met zijn lading gearresteerd. Voor die nacht werd hij in de cel opgesloten. De volgende dag werd hij voor de rechter geleid. De dorpelingen hoorden wat er had plaatsgevonden en kwamen naar de rechtbank. Zij zeiden tot de rechter: “Edelachtbare, deze man kan nooit een diefstal hebben gepleegd.” Daarop vroeg de rechter aan de wever om een verklaring af te leggen.

 

De wever zei: “Edelachtbare, door de wil van Rama beëindigde ik ’s avonds mijn maaltijd. Toen zat ik in de kapel door de wil van Rama. Het was al laat in de avond door de wil van Rama. Door de wil van Rama dacht ik aan God en zong Zijn naam en heerlijkheid, toen door de wil van Rama een bende dieven voorbijkwam. Door de wil van Rama sleepten zij mij met zich mee; door de wil van Rama pleegden zij een diefstal in een huis en door de wil van Rama plaatsten zij de goederen op mijn hoofd. Op dat moment, door de wil van Rama, kwam de politie eraan en door de wil van Rama werd ik gearresteerd. Toen door de wil van Rama sloot de politie me een nacht in de cel op en deze morgen door de wil van Rama ben ik voor u, edelachtbare, gebracht”. De rechter besefte dat de wever een vroom mens was en gelastte zijn vrijlating. Op weg naar huis zei de wever tegen zijn vrienden: “Door de wil van Rama ben ik vrijgelaten.”

 

Of je nou in de wereld leeft of er afstand van neemt, alles hangt af van de wil van Rama. Leg je hele verantwoordelijkheid bij God neer en doe je werk in de wereld.

 

 

 

Heer Narayana en zijn zich zelfverdedigende toegewijde

 

Op een keer zaten Lakshmi en Narayana in Vaikunta, toen Narayana plotseling opstond. Lakshmi was zijn voeten aan het masseren. Ze zei: “Heer, waar gaat u heen?” Narayana antwoordde: “Eén van mijn gelovigen is in groot gevaar. Ik moet hem redden”. Met deze woorden vertrok Hij. Maar Hij kwam onmiddellijk terug. Lakshmi zei: “Heer, waarom bent U zo snel teruggekeerd?” Narayana lachte en zei: “De toegewijde liep langs de weg overstelpt door liefde voor Mij. Enkele wasmannen droogden hun kleding op het gras en de toegewijde liep over de kleding. Hierop achtervolgden zij hem en wilden hem met stokken slaan. Dus snelde ik erheen om hem te beschermen” “Maar waarom bent U teruggekomen?” vroeg Lakshmi. Narayana lachte en zei: “Ik zag dat de toegewijde zelf een steen oppakte om naar hen te gooien. Dus kwam Ik terug.”

 

 

 

Niemand zal u in de dood volgen

 

Een discipel zei tegen zijn Goeroe dat zijn vrouw veel van hem hield en dus kon hij de wereld niet verzaken. De discipel beoefende Hatha Yoga. Om hem te overtuigen dat zijn argument onoprecht was, leerde de Goeroe hem enkele geheimen van deze tak van Yoga. Op een dag, zo maar ineens, ontstond er een grote opschudding in het huis van de discipel en gejammer en gesnik waren overal te horen. De buren snelden naar het huis en zagen de discipel in de kamer, bijna bewegingloos, in een eigenaardige verkrampte houding. Zij dachten allemaal dat het leven in zijn lichaam uitgedoofd was. De vrouw van de discipel huilde: “Helaas! Waar ben je naar toe gegaan, liefste? Waarom heb je ons in de steek gelaten? O! We hadden geen idee dat zo’n ellende ons zou overkomen!” In de tussentijd brachten de familieleden een houten brancard om het lijk te verwijderen voor de crematie. Toen werden ze met een groot probleem geconfronteerd. Daar de man in een verdraaide houding zat, kon zijn lichaam niet door de deur komen. Toen een van zijn buren dat zag bracht hij een bijl en begon de houten omlijsting van de deur los te hakken. Tot zolang bleef de vrouw huilen van intens verdriet, maar nauwelijks hoorde ze het geluid van de bijl, of ze rende naar de plek, en ofschoon nog steeds huilend, vroeg ze bezorgd wat ze van plan waren. Een van de buren vertelde haar dat ze de deur aan het open breken waren, omdat het lichaam van haar man niet op een andere manier naar buiten kon vanwege zijn vreemde houding. “Nee, nee,” riep de vrouw, “doe dat nu niet. Ik ben weduwe geworden en er is niemand om voor me te zorgen. Ik moet mijn kinderen grootbrengen zonder vader. Als je nu de deur openbreekt, kan het niet weer gerepareerd worden. Wat er ook gebeuren moest, is gebeurd met mijn man. Je kunt beter zijn handen en benen afhakken en hem zo naar buiten brengen.” Toen hij dat hoorde stond de Hatha Yogi gelijk op. Tegen die tijd was de uitwerking van het medicijn voorbij, en hij brulde het uit: “Vrouw, je wilt mijn handen en benen afhakken?” En terwijl hij dat zei, ging hij weg met zijn Goeroe, huis en haard achter zich latend.

 

 

 

De kameleon

 

Op een keer ging iemand een bos in en zag een klein dier in een boom. Hij keerde terug en vertelde aan iemand anders dat hij een dier met een prachtige rode kleur had gezien in een bepaalde boom. De tweede man antwoordde: “Toen ik in het bos was, zag ik ook dat dier. Maar waarom noem je het rood? Het is groen”. Een andere man die ook aanwezig was sprak hen tegen en hield vol dat de kleur geel was. Nu kwamen anderen erbij en beweerden dat het grijs, violet, blauw enzovoort was. Tenslotte begonnen ze ruzie met elkaar te maken. En om het geschil te beëindigen liepen zij allen naar de boom. Zij zagen een man onder de  boom zitten. Op hun vraag antwoordde hij: “Ja, ik leef onder deze boom en ik ken het dier heel goed. Al jullie beschrijvingen zijn waar. Soms verschijnt het als rood, soms geel, en op andere momenten, blauw, violet, grijs enzovoort. Het is een kameleon. En soms heeft het helemaal geen kleur. Nu eens heeft het een kleur en dan weer niet.”

 

Op gelijke wijze, als iemand onophoudelijk aan God denkt kan hij Zijn werkelijke natuur leren kennen; hij alleen weet dat God zichzelf aan zoekers openbaart in verschillende vormen en aspecten. God heeft nu eens attributen en dan weer geen enkele. Alleen de mens die onder de boom leeft weet dat de kameleon in verschillende kleuren kan verschijnen en verder weet hij dat het dier soms helemaal geen kleur heeft. Het zijn de anderen die lijden onder de kwelling van een nutteloze woordentwist.

 

 

 

Niets is onmogelijk voor Hem

 

Op een dag in de loop van een gesprek over God merkte Mathur Babu op: “God moet zich ook aan zijn eigen wetten houden. Hij heeft geen kracht om ze te boven te gaan.” “Wat een absurde bewering!”, riep ik uit. “Iemand die een wet gemaakt heeft kan deze ook naar eigen verkiezing intrekken of in plaats daarvan een nieuwe wet maken.” “Hoe is dat mogelijk?” zei Mathur . “Een plant die enkel rode bloemen voortbrengt kan geen bloemen van een andere kleur voortbrengen, - wit bijvoorbeeld, want zo is de wet. Ik zou wel eens willen zien dat God witte bloemen voortbrengt uit een plant die alleen rode draagt.” “Dat kan Hij ook doen”, antwoordde ik, “want alles hangt af van Zijn wil.” Mathur was niet overtuigd. De volgende dag terwijl ik in de tempeltuin wandelde, kwam ik langs een hibiscus met twee bloemen aan dezelfde stengel, waarvan de een rood was en de andere sneeuwwit. Ik brak de tak af om het aan Mathur te tonen, die heel verbaasd was toen hij het zag en uitriep: “Vader, Ik zal nooit meer met U over iets redetwisten!”

 

Wanneer God lacht

 

God lacht bij twee gelegenheden. Hij lacht wanneer de dokter tegen de moeder van een patiënt zegt: “Wees niet bang moeder, ik zal zeker uw zoon genezen.” God lacht en zegt tot Zichzelf: “Ik heb besloten zijn leven te nemen en deze man zegt dat hij het zal redden!” De dokter denkt dat hij de meester is en vergeet dat God de Meester is. God lacht opnieuw wanneer twee broers hun land verdelen met een lint en tegen elkaar zeggen: “Dit gedeelte is van mij en die zijde is van jou.” Hij lacht en zegt tot Zichzelf: “Het universum behoort Mij toe, maar zij zeggen dat zij dít of dát deel bezitten.”

 

 

 

Tel niet de bladeren, eet mango’s

 

Twee vrienden liepen in een tuin. Een van hen die veel wereldlijke kennis bezat, begon er onmiddellijk de mangobomen te tellen en het aantal bladeren en de mango´s die iedere boom droeg om te schatten wat bij benadering de waarde van de hele boomgaard kon zijn. Zijn vriend ging echter naar de eigenaar, sloot vriendschap met hem, en begon toen op verzoek van zijn gastheer de vruchten te plukken en ze te eten. Wie van hen beschouw je als de wijste van de twee? Eet mango´s! Het zal je honger stillen. Wat is het nut om de bomen en de bladeren te tellen en berekeningen te maken?

 

De ijdele intellectuele mens houdt zichzelf onnodig bezig met uit te vinden van het “waarom” en “waarvoor” van de schepping, terwijl de nederige mens van wijsheid vriendschap sluit met de Schepper en van Zijn gift, de hoogste gelukzaligheid, geniet.

 

 

 

Dan komt de tijd voor actie

 

Weet je wat mijn houding is? Boeken en dat soort zaken wijzen alleen de weg naar God. Nadat de weg gevonden is, welke noodzaak is er dan nog voor boeken en geschriften? Dan komt de tijd voor actie.

 

Iemand ontving een brief van thuis, die hem informeerde dat er bepaalde cadeaus naar zijn familieleden moesten worden gestuurd. De namen van de artikelen werden in de brief genoemd. Toen hij op het punt stond om deze inkopen voor hen te gaan doen, merkte hij dat de brief niet te vinden was. Hij begon er bezorgd naar te zoeken, en vele anderen hielpen hem. Toen hij uiteindelijk de brief ontdekte, kende zijn vreugde geen grenzen. Met groot verlangen opende en las hij de brief. Er stond in vermeld dat hij vijf pakken met zoetwaren, een kledingstuk en enkele andere dingen moest kopen. Toen had hij de brief niet meer nodig, deze had zijn doel gediend. Hij legde de brief opzij en ging op weg om de artikelen te kopen. Hoe lang is zo’n brief nodig? Zolang als zijn inhoud niet bekend is. Wanneer de inhoud bekend is kan men verder gaan om de instructies op te volgen.

 

In de geschriften kun je de weg vinden om God te verwerkelijken. Maar nadat je alle informatie over het pad hebt ontvangen, moet je eraan beginnen te werken.

Alleen dan kun je je doel bereiken.

 

 

 

Gedeeltelijke kennis brengt bekrompenheid voort

 

Vier blinde mannen gingen op pad om een olifant te bekijken. Eén betastte de poot van de olifant en zei: “De olifant lijkt op een (steun)pilaar.” De tweede raakte de slurf aan en zei: “De olifant lijkt op een dikke knots”. De derde raakte de buik aan en zei: “De olifant lijkt op een grote kruik”. De vierde raakte de oren aan en zei: “De olifant lijkt op een grote waaier” Toen begonnen ze driftig onder elkaar te redetwisten over de vorm van de olifant. Een voorbijganger, die zag hoe ze zo aan het ruziën waren, zei: “Waar discussiëren jullie over?” Zij vertelden hem alles en vroegen hem op te treden als scheidsrechter. De man zei: “Niemand van jullie heeft de olifant gezien. De olifant is geen pilaar, zijn poten lijken op pilaren. Hij lijkt niet op een waaier, zijn oren lijken op waaiers. Hij lijkt niet op een dikke knots, zijn slurf lijkt op een knots. De olifant is een samenstelling van al deze componenten – poten, oren, buik, slurf enzovoort.”

 

Op dezelfde wijze hebben zij die ruziemaken (over de natuur van God) ieder slechts een enkel aspect van de Godheid gezien.


 



[1] Een religieuze Hindoe ceremonie in verband met het eerste offer van gekookte rijst aan een baby.

[2] De twee zonen van Bhagavati, de Goddelijke Moeder.